Roesj en de wijze eik

Het is lente in het grote bos. Op een open plek, vlak bij de kronkelende beek, staat een hoge, oude eik. Zijn frisgroene blaadjes zijn klein. Helemaal aan het uiteinde van een lange tak hangt het blaadje Roesj te genieten in de zon.

Op een dag wordt de lucht donker. Het begint te waaien. En het begint te stormen. Al gauw giert en buldert de wind door het bos. Alles gaat heen en weer. Roesj durft niet te kijken. Hij houdt zich met zijn steeltje stevig vast aan de tak. Pas wanneer de storm is gaan liggen en de zon weer schijnt, opent Roesj zijn oogjes. Overal ziet hij bladeren liggen op het gras. Zelfs hele takken zijn van de bomen gewaaid. Roesj krijgt het er koud van tot in zijn kleinste nerfjes.

Na een week zijn de blaadjes op de grond bruin geworden en verschrompeld. ‘Dood,’ zeggen de bladeren die om Roesj heen hangen. Hij wordt bang dat hij ook een keer van de boom kan vallen en begint ervan te trillen. Hij denkt er de hele dag aan, maar begrijpt toch niet goed hoe het zal zijn om dood te gaan.

Op een ochtend besluit Roesj te gaan vragen hoe het zit met die dood. Hij hoopt dat dat hem helpt om niet meer zo bang te zijn. Hij kijkt omhoog en ziet de zon schijnen.
‘Zon,’ vraagt hij, ‘weet jij hoe het is om dood te gaan?’
‘Dood?’ De zon denkt een poosje na en antwoordt: ‘Dat is als je energie op is en het overal donker wordt.’
‘O, zit dat zo?’ zegt Roesj. ‘Nou, dank je wel, zon.’
De zon prikt een paar keer met een venijnig straaltje in Roesj’ groene huid en schijnt verder.

Aan het begin van de middag kijkt Roesj naar beneden en ziet de beek stromen.
‘Beek,’ vraagt hij, ‘weet jij hoe het is om dood te gaan?’
‘Dood?’ De beek denkt een poosje na en antwoordt: ‘Dat is als je verdampt, en er alleen maar zand en stenen van je overblijven.’
‘O, zit dat zo?’ zegt Roesj. ‘Nou, dank je wel, beek.’
De beek maakt een paar kleine draaikolkjes en stroomt verder.

Later die middag voelt Roesj dat het een beetje begint te waaien.
‘Briesje,’ vraagt hij, ‘weet jij hoe het is om dood te gaan?’
‘Dood?’ Het briesje denkt een poosje na en antwoordt: ‘Dat is als je stilstaat, en je niets meer in beweging kunt zetten.’
‘O, zit dat zo?’ zegt Roesj. ‘Nou, dank je wel, bries.’
Het briesje blaast Roesj even stevig in zijn gezicht en waait verder.

’s Avonds komt er een lentebuitje langs en het begint zachtjes te regenen.
‘Regen,’ vraagt Roesj, ‘weet jij hoe het is om dood te gaan?’
‘Dood?’ De lentebui denkt een poosje na en antwoordt: ‘Dat is als je in de grote zee valt en je oplost in het zoute water.’
‘O, zit dat zo?’ zegt Roesj. ‘Nou, dank je wel, regen.’
Een paar dikke druppels vallen op het puntje van Roesj’ lijf en de lentebui trekt verder.

’s Nachts ziet Roesj de sterren aan de hemel staan.
‘Sterren,’ vraagt hij, ‘weten jullie hoe het is om dood te gaan?’
‘Dood?’ De sterren denken een poosje na en antwoorden: ‘Dat is als je zo lang door de ruimte hebt gereisd dat je niet meer weet waar je bent.’
‘O, zit dat zo?’ zegt Roesj. ‘Nou, dank jullie wel, sterren.’
De sterren twinkelen een paar keer alsof ze knipogen en schijnen verder.

De volgende ochtend is Roesj nog steeds bang. De oude eik, die heel wijs is, heeft alles gehoord en ziet het trillende blaadje hangen aan zijn tak.
‘Roesj, ik weet dat je bang bent om dood te gaan. Maar dat hoeft niet, hoor,’ zegt hij. Roesj luistert aandachtig. ‘Als het zover is dat ik je moet laten gaan, laat je dan maar gewoon vallen. Je hoeft niets te doen en niets te laten, het gaat helemaal vanzelf. Het zal zijn… alsof je heerlijk aan je takje hangt en van de zon geniet.’
Roesj wordt stil van dit antwoord. En hij wordt er ook blij van. Dit is een antwoord waar hij wat aan heeft.
‘Dank je wel, lieve eik!’ roept hij.

Het wordt zomer. Roesj is groot geworden. Hij heeft een donkergroene kleur. Hij geniet van al het moois dat hij beleeft: de merel die in de rode beuk zit te zingen, de vlinders die hun kleuren laten zien, het rupsje dat kriebelt over zijn groene velletje, de madeliefjes in het gras die hun blaadjes naar alle kanten hebben geopend. Hij is niet meer bang. Hij is zelfs een beetje nieuwsgierig hoe het zal zijn om de boom los te laten.

Het wordt herfst. De blaadjes aan de eik zijn al oud. Ook de bladeren aan de andere bomen zijn oud. Sommige zijn rood, andere oranje. Roesj is helemaal geel geworden. Hij voelt hoe de zon met zachte stralen over zijn huid aait. Hij laat alles maar zo’n beetje zijn zoals het is, en denkt nergens meer diep over na. Het is gewoon fijn om er te zijn.

Op een avond komt er een zacht briesje langs, heel even maar. Het briesje tilt Roesj op, en als vanzelf laat Roesj de boom los. Hij buitelt een paar keer door de lucht en ziet hoe de oude eik naar hem lacht. Roesj lacht terug, en dan laat hij zich vallen. En vallen. En vallen.

De wijze boom had gelijk: hij hoeft niets te doen en niets te laten, het gaat helemaal vanzelf. En het is heerlijk.

2 Comments

Geef een antwoord